De wolf en het lam
De dertiende-eeuwse Nederlandse Esopet berijmde verschillende fabels.
Gelezen door Frits van Oostrom
Een wolf ende een lam goedertieren Quamen drinken tere rivieren. Si ghinghen drinken in twee steden: Die wolf dranc boven, dlam beneden. Doe seide die wolf: ‘Du bevuulst mi al Dwater dat ic drinken sal.’ ‘Ay here,’ sprac dlam, ‘wat segdi? Dwater comt van u te mi.’ ‘Ja,’ seide die wolf, ‘vloecstu mi toe?’ Dlam antworde: ‘Here, in doe.’ ‘Du doest!’ sprac hi, ‘dus dede dijn vader Wilen eer, ende dijn gheslachte algader.’ Dlam sprac: ‘In was doe niet gheboren. Twi soudicker af hebben toren?’ ‘Noch’ seide die wolf, ‘horic di spreken! Ic wane wel ic saels mi wreken!’ Die wolf sloech te sticken ende scoert Dlam; nochtan hads niet verboert.
Dus vint een quaet man occusoen Als hi den goeden quaet wil doen.
Een wolf en een zachtaardig lam kwamen eens bij een rivier om te drinken. Ze dronken op twee verschillende plaatsen: de wolf meer en het lam minder stroomopwaarts. Toen zei de wolf: ‘Jij bevuilt voor mij al het water dat ik wil drinken.’ ‘Ach heer,’ antwoordde het lam, ‘wat zegt u daar? Het water stroomt toch van u naar mij toe.’ ‘Welja,’ zei de wolf, ‘scheld je me nu ook nog uit?’ Het lam antwoordde: ‘Dat doe ik niet, heer.’ ‘Dat doe je wel!’ zei de wolf, ‘en dat deed je vader vroeger ook al, en al je voorvaderen.’ Het lam zei: ‘Toen was ik nog niet eens geboren. Waarom moet ik het nu dan ontgelden?’ ‘En je gaat maar door ook!’ zei de wolf, ‘me dunkt dat ik je daarvoor moet straffen!’ De wolf scheurde het lam helemaal aan stukken; dat had het niet verdiend.
Zo vindt een slecht mens altijd wel een aanleiding om een goed mens kwaad te doen.